Henri Veldhuis (home)

Zo kan het niet

De manco's va
n de nieuwe IPA-nota
(die nu IP-nota heet)

 

 

De etnische zuivering van Palestina, geschreven door de joodse historicus
Ilan Pappé, nu vertaald in het Nederlands

Vooruitgang

Om te beginnen betekent de nieuwe IPA-nota, waarvan de bijgestelde versie op de synode van 10 en 11 april besproken is, ten opzichte van het eerdere beleid van de PKN (de voormalige SoW-kerken) een belangrijke vooruitgang. Dat kon vorig jaar november al worden vastgesteld. Ik noem een drietal punten.

1. In beweging
De belangrijkste winst is dat het onderwerp van ‘Israël en de Palestijnen’ nu eindelijk weer open bespreekbaar is, en er zowel onder synodeleden als in de breedte van de kerk meer aandacht is gekomen voor de geschiedenis en de situatie van de Palestijnen. Ook het feit dat blijkens een recent TNS NIPO onderzoek meer dan driekwart van de PKN-leden vindt dat wij met Palestijnse christenen evenzeer verbonden moeten zijn als met Joden, geeft duidelijk aan dat er veel in beweging is.

2. Internationaal recht
Van groot belang is de centrale rol die het internationale recht gekregen heeft in de nota, als het primaire kader waarop ook de kerk zich moet baseren bij analyse en oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict. Hiermee verplicht de PKN zichzelf in de toekomst veel nadrukkelijker op te komen voor de naleving van VN-resoluties en internationale wetgeving. Een voorbeeld is de muur, die - in strijd met het internationale recht - grotendeels over Palestijns gebied loopt.

3. Palestijnse christenen
Heel blij ben ik met het feit dat in de nieuwe IPA-nota de Palestijnse christenen en de kerken in het Midden-Oosten voor het eerst echt in beeld zijn gekomen als onmisbare en gelijkwaardige gesprekspartners. Naast de 'onopgeefbare verbondenheid' met Israël komt nu ook de 'oecumenische verbondenheid' met o.a. de Palestijnse christenen, die op één plaats in de nota (p. 46) zelfs ook 'onopgeefbaar' genoemd wordt.

Het 'momentum' voorbij?

Nu konden bovenstaande winstpunten ook al worden gevonden in de IPA-nota van vorig jaar november. Daarná kwam de goede en openhartige discussie in de synode en volgde een lange reeks van hoorzittingen met betrokken organisaties. Welke bijstellingen heeft dat opgeleverd?
In dat opzicht heeft de laatste versie van de IPA-nota mij teleurgesteld. Het is alsof opstellers van de nota en het synode-moderamen het 'momentum' van de november-synode voorbij hebben laten gaan. Ik wijs daarbij op een viertal punten.

1. Werkelijk betrokken?
Tijdens de bespreking in de november-synode was voor het eerst te merken - later ook in de wandelgangen - dat veel synodeleden werkelijk geraakt waren door de situatie van de Palestijnen. We hebben toen de vraag gesteld: Waarom voelen we ons nu pas betrokken? Waarom hebben we het niet eerder geweten en erkend, bijvoorbeeld dat er grootschalige etnische zuivering heeft plaatsgevonden? De vraag is daarom: Heeft de synode het hart om vanuit haar nieuwe betrokkenheid vragen als deze echt onder ogen te zien?
Hier ligt m.i. het grote en blijvende manco van de nota: daaruit spreekt nog steeds niet dat we als kerk werkelijk geraakt zijn door het drama van de Palestijnen en door de urgentie van de huidige situatie. Het vele onrecht dat de Palestijnen is en wordt aangedaan komt wel ter sprake, maar voornamelijk in de sfeer van het tragische: verdrietig dat het zo heeft moeten gaan.
Bijna nergens spreekt iets van oprechte verontwaardiging, van betrokkenheid die kritisch door blijft vragen naar wie voor al dat onrecht verantwoordelijk is, en wat onze eigen rol daarbij geweest is. De emotionaliteit die voelbaar is achter de uitgebreide passages in de nota over onze 'onopgeefbare verbondenheid' met Israël is veel sterker dan wanneer het gaat over de Palestijnen.

Met deze constatering wil ik geen onrecht doen aan de sterke betrokkenheid van individuele medewerkers van LDC en Kerkinactie die veel hebben bijgedragen aan de winst van deze nota. Maar hun betrokkenheid en de goede synode-vergadering van november hebben de grondtoon van de nota niet echt kunnen veranderen.

2. Zelfonderzoek
Dat wij als synode ons niet echt laten raken, blijkt ook uit het ontbreken van elk kritisch zelfonderzoek. Nergens in de nota wordt de vraag gesteld hoe het komt dat wij als kerken gedurende 60 jaar nauwelijks oog hebben gehad voor de ramp (de 'Naqba') die de Palestijnen getroffen heeft, en waaronder zij tot op de dag van vandaag zwaar te lijden hebben. In geen enkel opzicht wordt onderzocht of dit voorbijzien aan het lot van de Palestijnen misschien te maken heeft met een verkeerde Israëltheologie, zoals die tot uitdrukking komt in onze 'onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël'.

3. Loyaliteit aan de staat Israël
Hoewel daarover veel kritische opmerkingen zijn gemaakt, wordt in de nota vastgehouden aan de opvatting dat onze 'onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël' impliciet ook loyaliteit betekent aan de staat Israël. Want, zo is de redenering, de staat Israël hoort bij het zelfverstaan van het Joodse volk, en dat respecteren wij.
Het sterke sentiment dat hierbij een rol speelt kan er in de praktijk gemakkelijk weer toe leiden, dat we de politiek van Israël telkens het voordeel van de twijfel geven ten koste van de Palestijnen (en in strijd met het internationaal recht).
Er wordt vaak gezegd dat verbondenheid met Israël juist een goede basis biedt om Israël (als vrienden) kritisch aan te spreken. Heeft de PKN, hebben de SoW-kerken dat in het verleden gedaan? Nauwelijks. Als we dat blijven verzuimen wordt onze onopgeefbare verbondenheid ook medeverantwoordelijkheid voor de misdaden van de staat Israël.
Het bestaansrecht van de staat Israël mag niet ter discussie staan. En ik ben er van harte mee eens dat het kerkordeartikel over de 'onopgeefbare verbondenheid' gehandhaafd blijft, maar de uitleg daarvan had gewijzigd moeten worden. Ik verwijs hierbij naar de lezing die ik onlangs gehouden heb op een studiedag over vervangingstheologie: Open Huis. Over vervangingstheologie tussen traditie en taboe. (Op deze studiedag sprak dr. Karel Blei, voormalig synode-scriba, een kort slotwoord waarin hij opmerkte dat we achteraf moeten vastellen dat de hervormde synode in 1970 een stap te ver is gegaan in haar theologische uitspraken over de staat Israël)

4. Zwakke theologische onderbouwing
In de november-synode was al veel kritiek op de theologische onderbouwing van de 'onopgeefbare verbondenheid' met Israël. Ook in dit opzicht is de nota nauwelijks verbeterd, en de uitleg van Romeinen 9-11 is ronduit slecht. Paulus wordt zeer eenzijdig geciteerd, zonder zorgvuldig in te gaan op de meer kritische uitspraken die hij doet over zijn volk. Ook wat betreft dit punt verwijs ik naar mijn eerder genoemde lezing.
Voor de theologische onderbouwing van de nota is na de november-synode nog een theologische commissie ingesteld. De samenstelling daarvan is zo eenzijdig, dat je niet anders kunt concluderen dan dat de inbreng van andere theologische visies op voorhand is afgeweerd. Een voorbeeld van een bange kerkleiding, die de teugels van eigen leiding en opvatting krampachtig vasthoudt.

Tenslotte

Gelukkig zijn er in de april-synode langs de weg van amendementen nog wel twee veranderingen in de nota aangebracht:
- Naast de verbondenheid met de Palestijnse christenen is nu ook uitdrukkelijk de betrokkenheid op het Palestijnse volk als geheel uitgesproken.
- Bovendien is de hoofdtitel van de nota veranderd: niet meer 'Het Israëlisch-Palestijns-Arabisch conflict', maar het 'Israëlisch-Palestijns conflict'.