Gaan we morgen ook naar de kerk?

(Uit SoW Kerkblad van Culemborg, 2004)

 

Niks te klagen
Soms zijn er onderwerpen, die een tijdlang sluimeren in je (onder)bewustzijn, totdat ze zo wakker zijn geworden dat je denkt: Nu moet ik er eens over praten of schrijven. Zo’n onderwerp wil ik graag nu aan de orde stellen; het gaat over de kerkgang, maar eigenlijk over gevoelens en motieven die daarachter liggen.
Over kerkgang in onze gemeente heb ik niet te klagen, zo zult u zeggen. Dat is ook zo; daar ben ik blij mee, en dat geldt niet alleen de kerkgang.
Toen ik een jaar of vijftien geleden besloot dominee te worden, had ik nog steeds veel twijfels over ‘de kerk’ in Nederland. Zou die wel blijven bestaan? Steeds minder mensen gaan naar de kerk, geloof wordt steeds minder belangrijk in onze samenleving. Moet ik aan die kerk m’n hele beroepsleven gaan wijden? Is dat vol te houden: werken voor een verloren zaak, of in ieder geval: een verloren instituut?
Inmiddels denk ik daar anders over. Als gemeente hebt u mij zelf ‘bekeerd’ en op andere gedachten gebracht. Mijn geloof in de Kerk (met een hoofdletter) is gegroeid, en met veel voldoening werk ik in een mondige en levenslustige gemeente.

Minder plicht, meer vrije keuze
Hoewel ik na zoveel jaren predikantschap dus meer vertrouwen heb in de toekomst van de kerk dan vroeger, leeft er bij mij toch een zekere onrust en zorg die ik hier eens aan u kwijt wil. Daarbij spits ik het onderwerp toe op de kerkgang, hoewel het om meer gaat.
In gemeenten zoals die van ons, is er een groot verschil met de kerkgang van vroeger. Het is voor veel gemeenteleden geen automatisme of strenge plicht meer om elke zondag naar de kerk te gaan. Veel sociale controle is verdwenen, waardoor het gemakkelijker is geworden om ‘een keer’ thuis te blijven. In heel wat huizen en gezinnen wordt zaterdagavond laat nog even gevraagd: ‘Gaan we morgen ook naar de kerk?’.
Ook kinderen en jongeren worden minder dan vroeger verplicht of gedwongen mee te gaan naar de kerk (of catechese). Veel ouders stellen vaak nog wel de vraag: ‘Ga je morgen weer eens een keer mee?’, maar hebben geen zin in discussie of ruzie.
De meesten van ons zullen niet terug willen naar vroeger, en dat kan ook niet; daarvoor is onze samenleving te veel veranderd. We zijn mondiger geworden, ook op het terrein van geloof en kerk, en als het dan toch lukt om met elkaar een vitale gemeente te zijn, ben je daar extra blij mee. Want het is belangrijk dat ons geloof zoveel mogelijk vorm krijgt vanuit een vrije, bewuste keuze.

Maar toch
Toch is er een aantal feiten, dat laat zien hoe zwak en kwetsbaar ons kerk-zijn desondanks misschien wel is. Ik illustreer dat aan de hand van de kerkgang:
Veel gemeenteleden vinden geloof en kerk ‘wel belangrijk’, maar laten de kerkgang ook gemakkelijk ‘een keertje’ schieten. Eén keer per maand naar de kerk is ook trouwe kerkgang nietwaar?

SoW-diensten, een oecumenische dienst of diensten met een gastpredikant zijn al snel een gemakkelijke reden om ‘een keer’ over te slaan.
Of het was weer zo’n drukke week, dat je de zondagmorgen hard nodig hebt om uit te slapen en rustig op gang te komen.
Er zijn nogal wat doopouders die in de afgelopen jaren duidelijk ‘ja’ hebben gezegd op even duidelijke doopvragen, maar weinig of nooit in de kerk komen.
Er zijn zelfs gemeenteleden die in de afgelopen tien jaar ‘openbare belijdenis van hun geloof’ hebben afgelegd, maar weinig of nooit meer in de kerk komen.
Er zijn jonge stellen die met veel overtuiging tegen mij gezegd hebben, dat ze in de kerk willen trouwen, en dat gebeurt dan ook; maar sommigen zie ik zelden of nooit meer terug.
Er zijn nabestaanden van overledenen, die dankbaar zijn voor de begeleiding van pastor, dominee en kerk bij het overlijden van hun geliefde. Maar ze komen later niet meer naar de kerk om die gemeente ook zelf te dragen en sterk te maken.

Verantwoordelijkheid
En zo kan ik nog veel meer voorbeelden geven. Wil ik terug naar vroeger? Nee zeker niet. Bovendien gebeurde dit vroeger ook allemaal. Toch is er een belangrijk verschil. Vroeger was er in de breedte van de gemeente meer plichtsbesef en sociale controle, al bestond ook toen (evenals nu) de kern van de gemeente uit mensen die bewust instonden voor hun geloof en kerkelijke betrokkenheid. Maar in onze tijd is het accent op bewuste en vrije keuze veel sterker geworden, waardoor ons kritische of luie consumentengedrag ook flink is toegenomen. Ik bedoel dit soort gedrag:
- De dominee moet wel heel goed preken, anders zul je niet zo vaak meer komen.
- Een kerkdienst moet iets bijzonders hebben (een goed koor, een bijzonder optreden, een ‘stunt’), dan kom je. Een ‘gewone’ kerkdienst is veel te saai.
- Kerkdiensten moeten leuk en gezellig zijn en vooral niet te moeilijk. Die psalmen..., die liederen uit het Liedboek..., daar kun je toch niet meer mee aankomen in deze moderne tijd, bij je kinderen?
- Als je een leuk bedrag Kerkbalans betaalt is één keer per maand naar de kerk toch ook al heel wat?
- De dominee moet niet zeuren, want lid zijn van de cantorij of een gesprekskring is al een hele investering.
- De kerk is een nuttig instituut en een volle kerstnachtdienst is genoeg om dat instituut in stand te houden.
- Vooral sport is natuurlijk een mooie reden om de kerkgang weer even over te slaan.
- Etc.
Ik chargeer een beetje, maar deze voorbeelden geven toch genoeg herkenning, denk ik. Bij allerlei actuele discussies in onze samenleving, merk je een groeiend besef, dat we elkaar en onszelf misschien teveel vrij hebben gelaten, en dat het nu ook tijd wordt om elkaar wat meer aan te spreken op onze verantwoordelijkheid. Een samenleving blijft niet intact als we alleen maar doen wat ons toevallig goed uitkomt, - kan niet rusten op onze impulsieve gevoelens en wensen.
Voor de kerk (die bestaat uit vrijwilligers) geldt dat nog meer, maar juist daar zijn we nóg voorzichtiger om elkaar aan te spreken op onze plicht en onze verantwoordelijkheid.
Als dominee zal ik niet gauw aan doopouders, jonge echtparen of belijdende lidmaten vragen waarom ze zelden of nooit meer in de kerk komen.
Ten eerste doe ik dat niet, omdat ik de eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van gemeenteleden een groot goed vind. Ik doe het ook niet omdat we juist in de kerk nogal gevoelig en raakbaar zijn voor zulke belangstellend-kritische vragen. Al snel kom ik over als een controlerende dominee van het oude stempel; al snel voelen gemeenteleden zich ‘in de kuif gepikt’, want ja, dat is toch hún zaak?

 

Home


Het lijkt me een positieve ontwikkeling, dat we in politiek en samenleving op dit punt een kentering zien ontstaan. We mogen en moeten elkaar weer meer aanspreken op onze plicht en verantwoordelijkheid. Het zou m.i. ook goed zijn, als we - met blijvend respect voor elkaars keuze en vrijheid - ook in de kerk weer meer plichtsbesef krijgen, met goede gewoonte, meer goede vanzelfsprekendheid; meer durf om elkaar aan te spreken als verantwoordelijke gemeenteleden op wie je mag en moet rekenen.

Ouders en kinderen
Onlangs hadden we in het consistorie (de vergadering van ouderlingen en pastoraal medewerkers) een lang en goed gesprek over de kerkgang van jongeren. Jongeren hebben op zondag en door de week zoveel te doen en te kiezen, ze zijn ook zoveel mondiger geworden, dat het niet gemakkelijk is om ze mee te krijgen naar de kerk. Bovendien is het niet goed als je altijd maar weer moet discussiëren, trekken en duwen.
Tegelijk is er die andere vraag: In hoeverre merken onze kinderen en jongeren nog dat wij zelf het geloof en de kerk nog héél belangrijk vinden? We hoeven onze kinderen niet te dwingen, maar ze merken wel aan ons als ouders hoe serieus en belangrijk we het zelf (nog) vinden, welke prioriteit geloof en kerk hebben in onze eigen keuzes en emoties.

Kernvraag
En daar ligt de kernvraag; die ligt tenslotte niet bij onze kerkgang, hoe belangrijk die ook is. De kernvraag is of geloof en kerk echt raken aan de diepste ernst van ons leven, aan de wortels van ons verantwoordelijkheidsbesef, aan de zenuwen van ons geweten en onze plicht.
De meesten van ons zijn oprecht als ze zeggen, bijvoorbeeld in een huwelijks- of doopgesprek, dat ze geloof en kerk belangrijk vinden. Maar tegelijk merk je vaak, dat geloof en kerk twee van de vele aspecten van het leven zijn geworden, en niet meer de dragende grond.
Over zulk onzeker geloof, als niet meer dan één van de vele dingen in ons leven, zal ik nooit schamper doen; ik ken het uit eigen leven en ervaring. Maar we moeten er wel eerlijk over zijn, en erkennen dat het kan uitlopen op geloof zonder veel inspanning, op geloof met weinig overtuigingskracht voor anderen, om te beginnen voor onze eigen kinderen.
De eigenlijke zorg en onrust die ik hier probeer uit te spreken is deze, dat ons geloof (incl. dat van mijzelf) vaak veel te weinig gekleurd is door het besef, dat het niet alleen gaat om zomaar wat maatschappelijke normen en waarden, maar om God, niet alleen om fatsoen en om de kerk als zinvol instituut, maar om de laatste vragen van leven en dood, om de diepste levensernst en de hoogste levensvreugde; - grote woorden, dat weet ik wel, maar soms moeten ze gezegd worden.

Gereformeerde Bond
Sommigen van u weten, dat ik ben opgegroeid in de orthodox-gereformeerde hoek van de Hervormde Kerk (de Gereformeerde Bond). Daar verlang ik niet naar terug; er was teveel somberheid, teveel plicht, teveel dwang. De verkiezingsleer zoals die daar geloofd wordt, is naar mijn diepste overtuiging onbijbels en strijdig met Gods openbaring in Jezus Christus. Zoals ik ook de Gereformeerde Bonds-visie op vrouwen in het ambt, homoseksualiteit en liturgie niet kan delen.
Maar op één punt blijf ik veel respect houden voor de gemeenten van de Gereformeerde Bond: in die kringen is zichtbaar en voelbaar dat God en geloof een volstrekt serieuze zaak is, die de hoogste prioriteit krijgt. Dat wordt ook gevoeld door de jongeren daar, die mede daarom veel trouwer naar de kerk gaan dan bij ons, - niet alleen omdat hun ouders strenger zijn, maar ook omdat ze voelen hoe hun ouders het geloof oprecht belangrijk vinden.
Momenteel bevinden we ons in de laatste fase van het SoW-proces, en daarin is de Gereformeerde Bond de grootste dwarsligger, met goede en verkeerde argumenten. Vaak wordt dan gezegd dat de Gereformeerde Bond het aanzien van de kerk in de Nederland schade berokkent, omdat ze moeilijk blijft doen over al die zogenaamd principiële verschillen tussen de kerken, terwijl we toch bij elkaar horen en dat moeten laten zien aan de samenleving.
Dat kan wel zijn, eenheid van kerk en geloof is belangrijk, maar wat hebben we eraan, als er straks een gefuseerde kerk is met steeds minder kerkgangers (behalve in rechtse kringen). Veel belangrijker dan het SoW-proces is de vraag hoe serieus wij geloof en kerk nog nemen, - wat dan ook moet blijken uit kerkgang, kerkenwerk, Kerkbalans, enz.
Jongeren en buitenstaanders moeten in mooie en moeilijke dingen aan ons kunnen merken, dat het echt over God gaat en over de hoogste en diepste dingen van het leven. Op dat punt heb ik soms een onrustig hart bij de kerk in Nederland en bij onze eigen gemeente in Culemborg, - ook al word ik telkens geïnspireerd en bemoedigd door diezelfde gemeente.

Aarzeling
Ik heb er lang over nagedacht, of ik dit allemaal wel zou schrijven, want zoiets wordt snel verkeerd begrepen. Het uiten van zorg kan snel voedsel geven aan onterechte zorgelijkheid en getob, en dat is wel het laatste wat ik wil; ik geloof juist met overtuiging en vrolijkheid in de ‘zaak’ van de kerk, en ik denk dat u dat zondags aan mij ook kunt merken.
Een andere reden om er maar niet over te beginnen, is het feit dat sommige gemeenteleden snel geïrriteerd raken, als ik kritische vragen stel over hun kerkgang (dat doe ik dus ook bijna nooit).
Wat nog belangrijker is: Als dominee moet je kritisch naar jezelf blijven kijken, want het gaat ook over jouw werk, over het succes van jouw club. Dus misschien gaat het jou helemaal niet om God en geloof, maar vind je dat mensen jouw club niet in de steek mogen laten, en vaker bij jou in de kerk moeten komen.

En toch heb ik die onrustige vragen maar opgeschreven, in de hoop dat we een beroep kunnen doen op elkaars verantwoordelijkheid, - en in de wetenschap dat zulk appèl bij veel gemeenteleden volstrekt overbodig is.
In de politiek is er nieuwe discussie ( ‘nieuwe politiek’?) ontstaan over de vraag hoe belangrijk wij waarden en normen nu eigenlijk nog vinden. In de kerk is de allerlaatste vraag, hoe belangrijk we God nu eigenlijk nog vinden.

Met hartelijke groet,

ds. H. Veldhuis