Recensie in Theologia Reformata (theologisch tijdschrift van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland) - 2006 (1)

H. Veldhuis, Kijk op geloof. Christelijk geloof uitgelegd , Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2005, 287 blz., prijs € 16.50, ISBN-nr. 9023918134

Deze ‘lekendogmatiek' van dr. Veldhuis, predikant van de hervormde gemeente (PKN) te Culemborg, vertolkt in 52 korte hoofdstukken op een glasheldere manier zijn verstaan van het christelijk geloof. De theologie erachter laat zich m.i. typeren aan de hand van drie kernbegrippen. Het eerste is ‘liefdestheïsme'. Theïsme, omdat God wordt gedacht als één persoonlijk handelend hoogste wezen. En liefdes theïsme, omdat liefde niet geldt als een eigenschap van God maar als Zijn wezen, zodat niet alleen gezegd kan worden dat God liefde is, maar ook dat liefde God is. Het tweede kernbegrip is “natuurlijk liefdesverlangen”. Vanuit de identificatie van God en liefde wordt het natuurlijk Godsverlangen ingevuld als een verlangen naar liefde. Vandaaruit “herken je direct wat echte liefde is en wat niet. Daarom heeft elk mens een eigen kompas [!] om boeken en preken over God zelfstandig te beoordelen. Want goede theologie is niets anders dan het uitpakken van het grootste geschenk: het geschenk van de liefde, waar ieder mens naar verlangt” (18). Het derde kernbegrip is ‘menselijke vrijheid'. Veldhuis is van mening dat de Reformatoren te ver gegaan zijn in hun strijd tegen de vrijheid van de (zondige) mens. Want zonder vrijheid geen liefde.

Zo hangen de drie begrippen samen als een drievoudig snoer, dat meteen een criterium vormt om goede en foute theologie, christendom en heidendom, te onderscheiden. In het heidendom staan Gods toorn, de angst voor God en de menselijke onvrijheid centraal. Intussen erkent Veldhuis dat hijzelf op minstens twee punten op gespannen voet komt te staan met de hoofdlijn van de christelijke traditie: de Schriftvisie en de betekenis van Jezus' kruis (11). In de Schrift staan volgens Veldhuis dingen die we als christenen moeilijk kunnen overnemen. De bijbel moet gelezen worden als neerslag van een geschiedenis waarin sprake is van “groeiend inzicht”, een proces dat bovendien doorgaat “tot op de dag van vandaag” (30). Criterium voor wat nog mee kan, is “de levenswijze en de boodschap van Jezus Christus” (32) – waarmee de vraag verschuift, want wat zijn die dan? Het zal niet verbazen, dat daarin volgens Veldhuis Gods liefde en de menselijke vrijheid centraal staan.

Dat kleurt ook Veldhuis' visie op Jezus' kruisdood. Aan het kruis vindt geen oordeel plaats. De interpretatie volgens welke Jezus' kruisdood een offer is waarin de toorn van God gestild wordt, is heidens “[o]mdat God daarin primair wordt beleefd vanuit angst en vrees” (110). De christelijke interpretatie van Jezus' kruisdood ziet deze daarentegen als het hernieuwde ‘Ja' van God tegen de mensen, een ‘Ja' dat ook in de schepping klonk. Een relatie wordt immers niet hersteld door lijden maar door liefde, én doordat de mens van zijn vrijheid gebruik maakt om deze te aanvaarden. Dieper dan de daadzonde reikt de tragedie tussen God en mens niet, want het is niet alleen heidens de kruisdood van Jezus te verbinden met toorn, maar ook om zonde te verbinden met machteloosheid. Veldhuis neemt wel waar, dat in de bijbel “de sfeer van zonde vaak vermengd [is] met de sferen van ziekte, onreinheid en dood” (64), maar “groeiend inzicht” maant ons ertoe deze visie achter ons te laten.

De manier waarop Veldhuis de persoon van Jezus als criterium van theologische uitspraken hanteert, doet mijns inziens onrecht aan het OT als bron van godskennis. Wat kan hij met het offer van Abraham (Gen.22), wat met de klacht van Job en het ‘noodzakelijkheidsdenken' van Prediker? Maar ook wanneer we Veldhuis' criterium overnemen, doemen problemen op. Met Jezus' kruiswoord ‘Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?', heeft de klacht tot God een plaats gekregen in het hart van het christelijk geloof. Tot wie schreeuwde Jezus anders dan tot een God die door Zijn afwezigheid, heel bewust, ‘nee' tegen Hem zei? Men kan toch niet zeggen dat Jezus ons geleerd heeft dat God altijd maar ‘ja' zegt, terwijl Hij zelf zo onder het ‘nee' van God door moest gaan? Het is deze existentiële aangevochtenheid die men in dit boek mist. God is er voor de continue bevestiging van ons bestaan, voor de bevrediging van ons natuurlijk verlangen. Daarmee is juist dit geloof een vorm van heidendom: God moet overeenstemmen met ons verlangen naar liefde en bevestiging. Maar mag God misschien zelf zeggen wat Hij van zichzelf en ons vindt? Voelen de gelovigen in bijbel en traditie zich werkelijk zo prettig bij God? Of is Hij veeleer de Stem die beslag op hen legt, die alles van hen afneemt zodat zij alleen Hem overhouden? Is er misschien in God zelf meer spanning dan het spanningsloze ‘Ja'?

Veldhuis presenteert zijn lekendogmatiek als een klassieke vorm van theologie (268-272). Maar hoe klassiek wordt onze ‘kijk op geloof' eigenlijk, als daarin Augustinus en Luther, Kierkegaard en Barth ontbreken? Hoe existentieel relevant wordt het geloof, wanneer de raadsels van de Schrift en het leven erin ontbreken? Met deze Kijk op geloof wordt het geloof in een laboratorium op kamertemperatuur gebracht. Wee degene die de kamer weer verlaat en het echte leven binnenstapt – voor hij het weet is hij heel zijn ‘geloof' weer kwijt.

W.M. Dekker

Utrecht